Geen verlaagd btw-tarief voor digitale popevenementen

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord over de btw-heffing over digitale popevenementen. Daarop is het hoge tarief van 21% van toepassing, terwijl op tickets het lage tarief van 9% van toepassing is. Elektronische diensten zijn uitgesloten van de toepassing van het verlaagde tarief. Alleen voor elektronische publicaties geldt daarop een uitzondering. Op grond van het EU-recht is het niet toegestaan om online culturele evenementen onder het verlaagde tarief te plaatsen. Volgens de staatssecretaris blijkt uit onderzoek dat verlaging van het btw-tarief of een verlaagd btw-tarief geen geschikt instrument is om bestedingen te sturen. Daarom wordt de culturele sector via subsidiëring ondersteund.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000023774 | 09-02-2021

Werknemer niet verplicht tot re-integratie buiten reguliere werktijd

Een arbeidsongeschikte werknemer is verplicht om mee te werken aan zijn re-integratie in het arbeidsproces. Als de werknemer dat niet doet, kan de werkgever door middel van een loonstop afdwingen dat de werknemer alsnog meewerkt aan zijn re-integratie.

De vraag in een procedure in kort geding was of een arbeidsongeschikte werknemer verplicht kan worden op van de gebruikelijke arbeidstijd afwijkende tijdstippen mee te werken aan re-integratie. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. De procedure betrof een werknemer die meerdere parttime banen had. De arbeidsongeschiktheid van de werknemer was van dien aard, dat de werkzaamheden van een van de banen niet konden worden verricht. Deze werkzaamheden vonden hoofdzakelijk in het weekend plaats. De werkgever wilde dat de werknemer op doordeweekse dagen beschikbaar was om te re-integreren. Op die dagen werkte de werknemer voor de andere werkgevers.

Volgens de kantonrechter heeft zich een vast arbeidspatroon ontwikkeld, dat vervolgens de overeengekomen arbeid is geworden. Daaraan doet niet af dat de oorspronkelijke overeenkomst de mogelijkheid bood om de werknemer ook op weekdagen op te roepen. In de praktijk gebeurde dat niet. De re-integratie moet volgens de kantonrechter in beginsel plaatsvinden op de momenten waarop de werknemer zijn werkzaamheden gewoonlijk uitvoert, dus in de weekenden. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever ten onrechte een loonstop ten onrechte heeft toegepast.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBLIM2021819, 8891804 \ CV EXPL 20-6219 | 25-01-2021

Kamervragen lage korting betaling ineens

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen over de omvang van de betalingskorting voor voorlopige aanslagen beantwoord. De betalingskorting geldt bij betaling ineens van een voorlopige aanslag die betrekking heeft op het jaar waarin de aanslag wordt opgelegd. Als alternatief kan gekozen worden voor betaling in termijnen. De betalingskorting is dit jaar zeer laag uitgevallen als gevolg van het verlagen van de invorderingsrente van 4 naar 0,01%. Deze verlaging is onderdeel van de fiscale coronamaatregelen. De hoogte van de betalingskorting is gekoppeld aan de invorderingsrente. Dat is geregeld in de Invorderingswet. De staatssecretaris erkent dat de communicatie over de betalingskorting beter had gekund.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2021-0000023839 | 09-02-2021

Reactie op arrest Hoge Raad over kwalificatie arbeidsrelatie

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief aan de Tweede Kamer een reactie gegeven op een arrest van de Hoge Raad over de kwalificatie van een arbeidsrelatie. Volgens dit arrest is de bedoeling van partijen niet van belang bij de beoordeling of sprake is van een arbeidsovereenkomst. De procedure had betrekking op een uitkeringsgerechtigde, die met behoud van een uitkering op basis van een participatietraject onbezoldigd had gewerkt. De uitkeringsgerechtigde stelde hetzelfde werk als betaalde medewerkers te hebben verricht en vorderde de betaling van loon. Volgens de Hoge Raad is beslissend of de onderling overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van een arbeidsovereenkomst. Als dat het geval is, is per definitie sprake van een arbeidsovereenkomst. Bij de beantwoording van de vraag welke rechten en plichten partijen onderling zijn overeengekomen kan de bedoeling van partijen wel een rol spelen.

Volgens de minister is de webmodule ter beoordeling van arbeidsrelaties in lijn met het arrest van de Hoge Raad. Sinds medio 2015 beoordeelt de Belastingdienst modelovereenkomsten met betrekking tot de vraag of gewerkt wordt buiten dienstbetrekking. Zowel de teksten van de modelovereenkomsten als het beoordelingskader zullen moeten worden aangepast naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad. De passages over de wens om te contracteren op basis van een overeenkomst van opdracht of de wens om geen dienstbetrekking aan te gaan zullen niet langer als gemarkeerde bepaling in de modelteksten worden opgenomen.

Een van de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst is het gezagscriterium. De Commissie Regulering van Werk heeft aanbevelingen tot modernisering van het gezagscriterium gedaan. De Hoge Raad heeft daaraan in dit arrest geen aandacht geschonken. Volgens de minister is het aan een nieuw kabinet om de modernisering van het gezagscriterium desgewenst ter hand te nemen. De minister is van mening dat het gewenst is nader te onderzoeken of en op welke wijze een rechtsvermoeden van werknemerschap behulpzaam kan zijn om met name kwetsbare werkenden te ondersteunen. Keerzijde van een dergelijk rechtsvermoeden is dat zelfstandigen mogelijk in rechte hun status als zelfstandige moeten opeisen. De vraag is of dat Europeesrechtelijk houdbaar is.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | publicatie | 2021-0000028131 | 09-02-2021

Navordering ter correctie giftenaftrek

Wanneer aanvankelijk te weinig belasting is geheven kan de Belastingdienst dat corrigeren door het opleggen van een navorderingsaanslag. Om een navorderingsaanslag op te kunnen leggen moet de Belastingdienst beschikken over een nieuw feit. Dat is een feit dat ten tijde van het opleggen van de oorspronkelijke aanslag niet bekend was bij de Belastingdienst.

De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van een stichting. Daaruit bleek dat in het jaar 2012 belastingplichtigen gezamenlijk voor meer dan € 3 miljoen aan giften aan de stichting in aftrek hadden gebracht, terwijl in de jaarstukken van de stichting minder dan € 600.000 aan ontvangen giften was verantwoord. De stichting heeft in 2012 meer kwitanties uitgeschreven dan zij in haar administratie verantwoordde. De jaarstukken van 2013 vermeldden een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties, terwijl diverse belastingplichtigen in totaal € 3,4 miljoen aan giften aan de stichting hebben aangegeven. Op 6 januari 2014 is de ANBI-status van de stichting met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 ingetrokken. De FIOD is in 2015 een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de stichting en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en donatieverklaringen. Particulieren kochten de kwitanties van de stichting voor 10 tot 15% van het op de kwitantie vermelde bedrag.

De uitkomst van het onderzoek van de FIOD was aanleiding voor het opleggen in 2017 van een navorderingsaanslag inkomstenbelasting aan iemand die in 2012 een bedrag van € 3.000 aan giften aan de stichting in aftrek had gebracht. Bij de behandeling van de aangifte IB 2012 had de belanghebbende na vragen van de inspecteur door de stichting verstrekte kwitanties overhandigd. Daarna werd de giftenaftrek geaccepteerd. Volgens Hof Den Haag beschikte de Belastingdienst over het voor navordering vereiste nieuwe feit. Dat nieuwe feit was niet gelegen in het onderzoek van de Belastingdienst naar de ANBI-status van de stichting of de intrekking van die status, maar in de uitkomsten van het onderzoek van de FIOD. Pas daarmee werd de handel in valse kwitanties bekend.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA202110, BK-20/00361 | 04-01-2021

Subsidieregeling maatwerkafspraken duurzame inzetbaarheid

Uitvloeisel van het in 2019 gesloten pensioenakkoord is een subsidieregeling voor sectorale maatwerkafspraken rondom duurzame inzetbaarheid, langer doorwerken en eerder uittreden. Het pensioenakkoord bevat afspraken over duurzame inzetbaarheid. Die afspraken moeten eraan bijdragen dat ook mensen die zwaar werk doen hun pensioen gezond werkend kunnen bereiken.

De subsidieregeling heeft de naam tijdelijke maatwerkregeling duurzame inzetbaarheid en eerder uittreden (MDIEU). Sociale partners in de diverse sectoren kunnen in een samenwerkingsverband subsidieaanvragen indienen met als doel het duurzaam inzetbaar houden van werkenden en het faciliteren van langer doorwerken, het wegnemen van knelpunten bij het realiseren van regelingen die vrijgesteld zijn van de extra belastingheffing voor regelingen voor vervroegd uittreden (RVU) en het introduceren van faciliteiten voor werkenden om inzicht te krijgen in de effecten op inkomen en pensioenuitkering bij het gebruik maken van diverse regelingen. De MDIEU loopt van 2021 tot en met 2025. Voor deze regeling is in totaal € 964 miljoen beschikbaar.

In de periode tot en met 2025 kunnen werkgevers gebruik maken van een tijdelijke beperking van de extra belastingheffing voor RVU. Deze pseudo-eindheffing van 52% geldt niet voor zover de uitkeringen niet uitkomen boven de drempelvrijstelling van de netto-AOW mits de uitkeringen niet meer dan drie jaar voor de AOW-leeftijd ingaan. Een werknemer kan zo tot drie jaar eerder een met de AOW vergelijkbare situatie bereiken.

Werkgevers kunnen met hun werknemers afspraken op maat maken over eerder uittreden. Sociale partners in sectoren kunnen ook afspraken maken voor specifieke groepen werknemers waarvan zij menen dat de zwaarte van het werk, in combinatie met de verhoging van de AOW-leeftijd van de afgelopen jaren, het moeilijk maakt om door te werken tot hun pensioen.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | 2020-0000172420 Staatscourant 2021, Nr. 2522 | 20-01-2021

Drempelvrijstelling RVU

Als uitvloeisel van de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen is met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2021 in de Wet op de loonbelasting een drempelvrijstelling voor regelingen voor vervroegde uittreding (RVU) opgenomen. De vrijstelling geldt voor uitkeringen tot een bedrag gelijk aan het gebruteerde netto-ouderdomspensioen per maand volgens de Algemene Ouderdomswet. In verband met de indexeringsvoorschriften is het aanvankelijk in de wet opgenomen bedrag van € 1.767 vervangen door € 1.847.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | Nr. 2021-0000010205 Staatscourant 2021, 5742 | 31-01-2021

Heffing reclamebelasting voor klok aan gevel

De Gemeentewet biedt gemeenten de mogelijkheid om een reclamebelasting in te stellen. Dat is een belastingheffing ter zake van openbare aankondigingen, die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en zich bevinden binnen daatoe aangewezen gebieden.

Aan de buitengevel van de werkplaats van een uurwerkhersteller hing een klok, die vanaf de openbare weg zichtbaar was. De werkplaats was gelegen binnen het in de gemeentelijke belastingverordening aangewezen gebied waar de reclamebelasting van toepassing was. De vraag of de klok was aan te merken als een openbare aankondiging beantwoordde Hof Arnhem-Leeuwarden bevestigend.

Volgens vaste jurisprudentie wordt onder “openbare aankondiging” verstaan een tot het publiek gerichte mededeling, die erop is gericht de belangstelling van het publiek te trekken voor een dienst, een product of een boodschap. De omstandigheid dat de belanghebbende met de uiting niet het oogmerk heeft om de belangstelling van het publiek te trekken maakt op zichzelf niet dat geen sprake is van een “openbare aankondiging”.

De klok waarover de procedure ging, paste qua vormgeving bij de bouwstijl van de werkplaats. De klok had de zelfde kleur als de kozijnen en de deur van de werkplaats en was dwars op de gevel geplaatst, zodat hij van twee kanten zichtbaar was. Daarmee vormde de klok een tot het publiek gerichte mededeling die erop gericht was de belangstelling van het publiek te trekken voor de diensten van de uurwerkhersteller.

De omstandigheid dat de ramen van de werkplaats aan de straatzijde zijn afgeplakt, zodat vanaf de openbare weg niet zichtbaar is welke activiteiten in het pand plaatsvinden, is geen aanleiding voor een afwijkend oordeel.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL2021888, 18/01015 | 01-02-2021

Prejudiciële vragen over weigeren gemachtigde

De Rechtbank Gelderland heeft prejudiciële vragen gesteld over het weigeren van een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan. De rechtbank wil weten of het mogelijk is iemand voor een bepaalde tijd als gemachtigde te weigeren, bijvoorbeeld voor een periode van drie jaar. Een andere vraag van de rechtbank is of het mogelijk is een gemachtigde te weigeren in alle zaken die bij de rechtbank aanhangig zijn en waarin deze persoon optreedt als vertegenwoordiger. Ten slotte wil de rechtbank weten of de Algemene wet bestuursrecht een grondslag geeft om naast een gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan ook alle (rechts)personen die onder zijn (feitelijke) leiding staan te weigeren.

De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2020 geoordeeld dat de beslissing om een gemachtigde te weigeren beperkt is tot de zaak en de instantie waarin deze beslissing is genomen. De Algemene wet bestuursrecht geeft de rechter geen grondslag om iemand in alle aanhangige of nog aanhangig te maken zaken als gemachtigde te weigeren. Het is ook niet mogelijk iemand voor een bepaalde duur te weigeren als gemachtigde. Als een natuurlijke persoon optreedt als gemachtigde in naam van een rechtspersoon, biedt de Algemene wet bestuursrecht geen grondslag om het tot ernstige bezwaren leidende optreden van de natuurlijke persoon toe te rekenen aan die rechtspersoon of aan andere personen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2021141, 20/02446 | 28-01-2021

Inkomensafhankelijke combinatiekorting en co-ouderschap

De inkomensafhankelijke combinatiekorting is een aanvullende heffingskorting voor ouders die arbeid en zorg voor kinderen combineren. Recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting is er voor de belastingplichtige op wiens adres in een kalenderjaar ten minste zes maanden een kind staat ingeschreven dat bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 12 jaar niet heeft bereikt. In het geval van co-ouderschap, waarbij beide ouders niet samenwonen maar de zorg voor de kinderen gelijkelijk verdelen, hebben beide ouders recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting, ondanks dat het kind slechts bij een van de ouders kan staan ingeschreven.

In de Uitvoeringsregeling Inkomstenbelasting is bepaald dat voor de toepassing van de inkomensafhankelijke combinatiekorting een kind, dat niet op hetzelfde woonadres als de belastingplichtige staat ingeschreven, beschouwd wordt op hetzelfde woonadres te staan ingeschreven als het kind doorgaans ten minste drie hele dagen per week in elk van beide huishoudens verblijft. Ook als de ouders de zorg voor het kind gelijkelijk verdelen in een ander duurzaam ritme dan drie dagen per week in ieder huishouden hebben beide ouders recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. In de toelichting op de Uitvoeringsregeling is vermeld dat aan de eis van ten minste drie hele dagen is voldaan als het kind 3 x 24 uur in de week bij de belastingplichtige verblijft en de overige dagen van de week doorgaans bij de andere ouder.

De Hoge Raad heeft een uitspraak van Hof Den Haag over de inkomensafhankelijke combinatiekorting vernietigd. Het hof was van oordeel dat het door de belastingplichtige overgelegde verblijfschema voldeed aan het criterium van ten minste drie hele dagen per week. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het kind verbleef de ene week van woensdagochtend tot donderdagavond en van zaterdagochtend tot maandagochtend bij de belanghebbende. De andere week was het kind van woensdagochtend tot donderdagavond bij de belanghebbende. Het kind stond ingeschreven bij de andere ouder. Het schema voldeed niet aan de eis dat beide ouders de zorg voor het kind gelijkelijk verdelen. Het aantal uren dat het kind bij de ene ouder verbleef verschilde teveel van het aantal uren dat het kind bij de andere ouder verbleef. De belanghebbende in deze procedure had geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2021142, 20/01427 | 28-01-2021