Tijdelijke verhuur tuinhuis

De eigen woning kent een aparte regeling in de inkomstenbelasting. Anders dan andere vermogensbestanddelen valt de eigen woning niet in box 3 maar in box 1. Het eigenwoningforfait vormt een positief inkomensbestanddeel. Rente en kosten van de eigenwoningschuld kunnen in aftrek worden gebracht. Een eigen woning is een gebouw met aanhorigheden dat aan de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. Aanhorigheden zijn zaken als garages, schuren en tuinhuisjes. Het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning aan derden ontneemt aan de woning niet het karakter van hoofdverblijf. Dat betekent dat de eigenwoningregeling gedurende de terbeschikkingstelling van toepassing blijft. De wet bevat voor de tijdelijke verhuur van de eigen woning de bepaling dat naast het eigenwoningforfait 70% van de verhuuropbrengst in aanmerking wordt genomen als inkomsten uit eigen woning.

De Hoge Raad heeft onlangs een arrest gewezen over de gevolgen voor de inkomstenbelasting van de tijdelijke terbeschikkingstelling van een tuinhuis aan derden. Het tuinhuis kwalificeerde als aanhorigheid van de eigen woning. Volgens de Hoge Raad geldt de regel dat er geen gevolgen zijn voor de toepassing van de eigenwoningregeling aan de tijdelijke terbeschikkingstelling van de eigen woning zelf ook voor de tijdelijke terbeschikkingstelling van een gedeelte van of een aanhorigheid bij een eigen woning. Dat betekent dat voor die gehele woning blijft gelden dat zij geacht wordt anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking te staan aan de belastingplichtige. De Hoge Raad heeft het andersluidende oordeel van Hof Amsterdam vernietigd. Volgens het hof had de verhuur van het tuinhuis tot gevolg dat de eigenwoningregeling niet meer van toepassing was op het tuinhuis.

Het oordeel van de Hoge Raad heeft tot gevolg dat 70% van de verhuuropbrengst van het tuinhuis belast is als inkomsten uit eigen woning.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20201448, 19/03974 | 17-09-2020

WBSO in 2021

De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat heeft de tarieven voor de WBSO voor 2021 bekend gemaakt. WBSO staat voor Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk. Het kabinet heeft besloten om extra budget beschikbaar te stellen voor de WBSO in 2021. Dit budget wordt gebruikt voor de verhoging van het tarief in de eerste schijf van 32 naar 40% en van het starterstarief van 40 naar 50%. Het tarief in de tweede schijf en de lengte van de eerste schijf veranderen niet.

 WBSO

 2021

 2020

 Tarief eerste schijf

 40%

 32%

 Tarief eerste schijf starters

 50%

 40%

 Grens eerste schijf

 € 350.000 S&O-(loon)kosten

 € 350.000 S&O-(loon)kosten

 Tarief tweede schijf

16%

 16%

Bron: Ministerie van Economische Zaken | publicatie | DGBI-I&K / 20216926 | 14-09-2020

Baangerelateerde investeringskorting

In een brief aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris van Financiën de contouren van de baangerelateerde investeringskorting (BIK) geschetst. De BIK wordt door middel van een nota van wijziging toegevoegd aan het Belastingplan 2021. Het doel van de BIK is het stimuleren en naar voren halen van investeringen van bedrijven ter bestrijding van de economische crisis als gevolg van het coronavirus.

De BIK krijgt de vorm van een afdrachtvermindering op de loonheffingen en geldt voor investeringen in nieuwe bedrijfsmiddelen. De investeringen moeten uiterlijk 31 december 2022 volledig zijn betaald en binnen zes maanden na betaling in gebruik zijn genomen. Door te kiezen voor een afdrachtvermindering is het niet nodig dat een bedrijf winst maakt om van de BIK gebruik te kunnen maken. Wel moet het bedrijf voldoende werknemers in dienst hebben om de investeringskorting te kunnen verzilveren.

De BIK is een tijdelijke aanvulling op de bestaande investeringsregelingen. De regeling geldt voor investeringen die tussen 1 oktober 2020 en 31 december 2022 worden gedaan. Daarna zal het budget gebruikt worden voor een regeling ter verlaging van werkgeverskosten.

De staatssecretaris heeft toegezegd dat hij de nota van wijziging op het Belastingplan 2021 met betrekking tot de BIK op 5 oktober zal indienen.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 2020-0000181811 | 28-09-2020

Derde steunpakket coronacrisis

Naar aanleiding van het debat in de Tweede Kamer over het derde steun- en herstelpakket ter bestrijding van de coronacrisis zijn daarin enkele wijzigingen aangebracht. Het pakket maatregelen geldt met ingang van 1 oktober 2020. Het gaat om de volgende aanpassingen.

  1. Jongeren in de bijstand hebben tot 1 juli 2021 de mogelijkheid om naast hun bijstandsuitkering bij te verdienen of een vergoeding voor vrijwilligerswerk te ontvangen. Voor bepaalde groepen jongeren vervalt tot 1 juli de verplichte zoektermijn van vier weken bij de aanvraag van een bijstandsuitkering. Gemeenten kunnen voor jongeren tot 27 jaar de zoektermijn tijdelijk niet toepassen.
  2. Vanaf 1 december kunnen werknemers, zelfstandigen en werkzoekenden weer kosteloos een ontwikkeladvies volgen bij een loopbaanadviseur. Er zijn in totaal 50.000 adviestrajecten beschikbaar.
  3. Vanaf 1 januari 2021 kunnen organisaties gebruik maken van de maatwerkregeling Duurzame Inzetbaarheid en Eerder Uittreden. Met deze subsidie kunnen werknemers geholpen worden om hun werk in goede gezondheid te blijven doen tot aan hun pensioen en waar nodig eerder te stoppen met werken.
Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 28-09-2020

Wetsvoorstel bedrag ineens, RVU en verlofsparen

In het kader van de uitwerking van de afspraken die zijn gemaakt in het pensioenakkoord heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel omvat drie maatregelen.

De eerste maatregel is de invoering van de mogelijkheid om een beperkt deel van het pensioenvermogen op te nemen als een bedrag ineens op de pensioeningangsdatum. Deze mogelijkheid is een recht van de deelnemer aan een pensioenregeling. De opname ineens kent geen verplicht bestedingsdoel, maar is wel gebonden aan voorwaarden. Deze zijn:

  1. Maximaal 10% van de waarde van de aanspraak op ouderdomspensioen mag ineens worden opgenomen.
  2. De gedeeltelijke afkoop moet op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen plaatsvinden.
  3. Het is niet mogelijk om opname ineens te combineren met een hoog-laagpensioen.
  4. Door de gedeeltelijk afkoop van het ouderdomspensioen mag de resterende levenslange pensioenuitkering niet onder de afkoopgrens van kleine pensioenen komen te liggen.
  5. De partner van de pensioengerechtigde moet toestemming voor de gedeeltelijke afkoop verlenen als gebruikmaking hiervan leidt tot een verlaging van het partnerpensioen.

Ook voor oudedagsvoorzieningen in de vorm van lijfrenten wordt voorgesteld dat maximaal 10% van de waarde op de ingangsdatum als bedrag ineens kan worden uitgekeerd. Hiervoor gelden vergelijkbare voorwaarden.

De tweede maatregel betreft de tijdelijke facilitering van de mogelijkheid om werknemers drie jaar voor de AOW-leeftijd te laten stoppen met werken. Regelingen voor vervroegde uittreding worden extra belast door een zogenaamde pseudo-eindheffing ten laste van de werkgever. Deze heffing op regelingen voor vervroegde uittreding wordt tijdelijk versoepeld door een vrijstelling van de heffing tot het bedrag van de AOW-uitkering te introduceren voor werknemers die niet meer dan drie jaar voor de ingangsdatum van de AOW-uitkering zitten. De voorgestelde versoepeling geldt voor een periode van vijf jaar, met een uitloopperiode van drie jaar, ingaande per 1 januari 2021. De vrijstelling geldt alleen als de uitkeringen plaatsvinden in de 36 maanden voor het bereiken van de AOW-leeftijd. De ingangsdatum voor de AOW-uitkering mag niet na 31 december 2028 liggen. De regeling voor vervroegde uittreding mag niet later dan op 31 december 2025 schriftelijk zijn toegekend aan de werknemer.

De derde maatregel is de vergroting van de fiscale ruimte om verlof op te sparen, met als doel vervroegd uittreden mogelijk te maken. Op dit moment kunnen werknemers maximaal 50 weken fiscaal gefaciliteerd vakantieverlof en compensatieverlof opsparen. In dit wetsvoorstel wordt deze fiscale grens verhoogd naar 100 weken. Werknemers krijgen hierdoor meer ruimte om hun duurzame inzetbaarheid te vergroten, bijvoorbeeld door het inzetten van verlof om voor de pensioenleeftijd minder te gaan werken of om eerder te stoppen met werken met behoud van salaris.

Het wetsvoorstel omvat wijzigingen van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de Wet op het financieel toezicht, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 22-09-2020

Algemene uitzondering op hoge WW-premie bij meer dan 30% overwerk in 2020

Sinds 1 januari 2020 geldt op grond van de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. Werkgevers moeten met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie betalen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Vanwege de coronacrisis leidt deze herzieningsbepaling tot ongewenste effecten in sectoren waar veel extra overwerk is verricht. Om deze effecten weg te nemen is al eerder besloten dat de herzieningsbepaling in het jaar 2020 niet van toepassing is. Er is gekozen voor een algemene uitzondering op de toepassing van deze bepaling en niet voor een gerichte sectorale maatregel. Dat betekent dat de herzieningsbepaling in geen enkele sector van toepassing is, ongeacht de achtergrond van het verrichte overwerk. Het besluit is op 14 september in het Staatsblad geplaatst en op 15 september in werking getreden.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | besluit | 2020-0000107178 Stb.2020, 333 | 01-09-2020

Uitzondering op eis vlakke laadvloer

Om voor de heffing van bpm en mrb te kwalificeren als bestelauto dient de laadruimte van het voertuig voorzien te zijn van een vlakke laadvloer. De laadvloer dient aan zekere afmetingen te voldoen. Een hoogteverschil in de laadvloer is toegestaan wanneer de motor of de brandstoftank onder de laadvloer is geplaatst. Aan deze uitzonderingen op de eis van een vlakke laadvloer is het accupakket toegevoegd. Deze wijziging geldt met ingang van 10 september 2020.

Bron: Ministerie van Financiën | nr. 2020-129396, Stcrt. 2020, 46486 Thu, 10 Sep 2020 00:00:00 +0100

Wetsvoorstel invoering gedifferentieerde premie Aof

Werkgevers zijn verplicht om aan zieke werknemers minimaal 70% van het loon door te betalen. De verplichte loondoorbetaling geldt gedurende 104 weken, tenzij het contract van de werknemer eerder eindigt. Daarnaast moeten de werkgever en een zieke werknemer zich inspannen om de werknemer terug te laten keren in het arbeidsproces. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in een brief van 20 december 2018 een pakket aan maatregelen voorgesteld om de loondoorbetalingsverplichting makkelijker, duidelijker en goedkoper te maken. In een brief van 19 december 2019 heeft de minister de invoering van een gedifferentieerde premie naar de grootte van de werkgever voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) per 1 januari 2022 aangekondigd.

Het wetsvoorstel ter invoering van de gedifferentieerde premie Aof naar de grootte van de werkgever is nu ingediend bij de Tweede Kamer. Voor kleine werkgever gaat een lagere premie gelden dan voor middelgrote en grote werkgevers. Een kleine werkgever heeft een loonsom tot en met 25 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer per jaar. Door de invoering van de gedifferentieerde premie komt het kabinet kleine werkgevers financieel tegemoet voor de kosten van loondoorbetaling en re-integratie. Kleine werkgevers kunnen de tegemoetkoming gebruiken om bijvoorbeeld de MKB-verzuim-ontzorgverzekering af te sluiten. Deze verzekering dekt het financiële risico van loondoorbetaling bij ziekte af en helpt kleine werkgevers bij de verplichtingen en taken rondom loondoorbetaling bij ziekte.

Ook voor de premievaststelling voor de Werkhervattingskas (Whk) gaat dezelfde definitie van kleine werkgever gelden. Op dit moment ligt voor de Whk de grens tussen een kleine en een middelgrote werkgever nog op 10 maal het gemiddelde premieplichtige loon per werknemer. Dit geeft de werkgever meer duidelijkheid en vergemakkelijkt de uitvoering. De indeling naar grootte van de werkgever voor een premiejaar wordt gemaakt op basis van het totale premieplichtige loon van de werkgever twee jaar eerder (t-2). Dit sluit aan op de systematiek van de Whk.

Voor zowel kleine werkgevers als (middel)grote werkgevers zal de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid overeenkomstig de huidige systematiek de Aof-premie vaststellen. In het wetsvoorstel is opgenomen dat het verschil tussen de hoge en lage premie maximaal 2 procentpunt mag bedragen.

Van de gelegenheid wordt gebruik gemaakt om een andere aanpassing te doen in de Wet financiering sociale verzekeringen. Het betreft de toepassing van de systematiek van voortschrijdend cumulatief rekenen (VCR) door private uitvoerders. Met dit wetsvoorstel wil de regering zorgen voor meer evenwicht in de toepassing van VCR tussen het UWV als publieke uitvoerder en diverse private uitvoerders.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken | wetsvoorstel | 14-09-2020

Belastingplan 2021: wijzigingen voor ondernemers

Zelfstandigenaftrek

Vorig jaar is besloten om de zelfstandigenaftrek met ingang van 2020 in acht stappen van € 250 en één stap van € 280 te verlagen naar € 5.000 in 2028. Dit jaar wordt voorgesteld om de zelfstandigenaftrek aanvullend met € 110 per jaar te verlagen. Dat betekent dat vanaf 1 januari 2021 de zelfstandigenaftrek wordt verlaagd met € 360 per jaar en per 1 januari 2028 met € 390. In de jaren daarna daalt de zelfstandigenaftrek met € 110 tot € 3.240 in 2036.

Vrijstelling TOGS en TVL

Eerder is aangekondigd dat de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS) en de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) worden vrijgesteld van belastingheffing. Vooruitlopend op wetgeving is in een beleidsbesluit geregeld dat deze vergoedingen niet tot de winst behoren. Dat wordt nu wettelijk vastgelegd.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2020

Belastingplan 2021: wijzigingen inkomstenbelasting

Arbeidskorting

Ter compensatie van de verlaging van de zelfstandigenaftrek voor ondernemers is vorig jaar geregeld dat de arbeidskorting in 2020 en 2021 met € 106 wordt verhoogd en in 2022 met € 73. De verhoging van de arbeidskorting uit 2022 wordt naar voren gehaald en in 2021 toegepast.

Tarieven

Het tarief van de loon- en inkomstenbelasting in de eerste schijf daalt ten opzichte van 2020 met 0,25 procentpunt. De verdere verlaging in 2021 valt weg tegen verhogingen ter compensatie van de lagere zorgpremies en van het hogere kindgebonden budget en de hogere ouderenkorting.

Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)

De IACK wordt in 2021 verlaagd met € 113. In 2022 wordt de IACK verhoogd met € 77. Deze maatregel is het gevolg van een arrest van de Hoge Raad over de IACK voor co-ouders. De gevolgen van dit arrest voor de schatkist worden gedekt door een structurele verlaging van het maximale bedrag van de IACK met € 36. Ter compensatie van de derving over 2019 en 2020 wordt de maximale IACK in 2021 eenmalig met € 77 verlaagd. Per 1 januari 2022 vervalt deze verlaging.

Bijtelling elektrische auto met zonnepanelen

Voor elektrische auto’s geldt een korting op de bijtelling in de loon- en inkomstenbelasting. Deze korting bedraagt 14% in 2020, 10% in 2021, 6% in 2022 tot en met 2024 en 5% in 2025. Met ingang van 1 januari 2026 vervalt de korting op de bijtelling. De korting geldt voor een deel van de catalogusprijs. Dit deel bedraagt € 45.000 in 2020 en € 40.000 in 2021 en volgende jaren. Voor emissievrije auto’s met een waterstofmotor geldt de korting op de bijtelling voor de gehele catalogusprijs. Met ingang van 1 januari 2021 geldt dat ook voor zonnecelauto’s.

Bron: Ministerie van Financiën | wetsvoorstel | 14-09-2020