Rechter mag een te late machtiging negeren

Een adviesbureau dient op 22 juli 2024 hoger beroep in tegen een naheffing van de belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm). Het adviesbureau stuurt een machtiging mee die al ruim drie jaar oud is. Het hof vraagt een machtiging van hooguit drie maanden oud en geeft het bureau daarvoor tot 3 september 2024. De nieuwe machtiging komt pas op 6 september binnen, zonder uitleg. Volgens de Hoge Raad heeft het hof de zaak daarom terecht laten liggen. Ook het Europese recht verandert daar niets aan.

Te laat is te laat

Het hof verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Het behandelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het bureau gaat daartegen in verzet, een soort bezwaar bij hetzelfde hof. Dat verzet strandt, omdat het bureau geen reden geeft voor de vertraging. Bij de Hoge Raad gooit het bureau het over een Europese boeg. Iedereen heeft volgens het Handvest van de grondrechten van de EU recht op toegang tot de rechter. Het hof houdt volgens het bureau onnodig streng vast aan termijnen. Ook vraagt het bureau de Hoge Raad om vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie.

Wie zit aan tafel?

Alleen de belastingplichtige zelf mag tegen zijn aanslag procederen, maar hij mag zich wel laten vertegenwoordigen. Is die vertegenwoordiger geen advocaat, dan mag de rechter om een schriftelijke machtiging vragen. Een advocaat valt onder eigen beroepsregels en hoeft geen machtiging te overhandigen. De rechter mag daarbij om een recente machtiging vragen, zonder uit te leggen waarom. Komt die machtiging niet op tijd binnen, dan mag de rechter het beroep laten liggen. Voorwaarde is wel dat er een redelijke termijn is gegeven voor het herstellen van het gebrek en dat de vertraging niet te verontschuldigen is.

Europa helpt niet

Europa laat de procesregels grotendeels over aan de lidstaten. Die regels mogen alleen niet strenger zijn dan bij gewone Nederlandse zaken en mogen procederen niet praktisch onmogelijk maken. Volgens de Hoge Raad blijft de eis van een machtiging daarbinnen. Die eis zorgt ervoor dat alleen wie echt bevoegd is een zaak voert. Voor een professionele adviseur is een machtiging binnen een redelijke termijn bovendien goed te regelen. Vragen aan het Europese Hof zijn dus niet nodig.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1483 | 01-10-2026

Stichting verantwoordelijk voor loonbelasting van verpacht restaurant

Een stichting huurt een pand waarin een restaurant is gevestigd. Op papier is het restaurant verpacht aan verschillende vennootschappen, waaronder een Engelse onderneming en een Nederlandse bv. Volgens de stichting zijn deze pachters verantwoordelijk voor de exploitatie en het personeel. Daarom meent de stichting dat zij geen werkgever is en dus geen loonheffingen hoeft af te dragen. De Belastingdienst denkt daar anders over en legt naheffingsaanslagen op tegen het anoniementarief.

Naheffing

Het hof stelt vast dat de stichting zelf de inkomsten uit het restaurant ontvangt en ook de lonen van het personeel betaalt. Bovendien is niet gebleken dat met de pachters een daadwerkelijke financiële afrekening heeft plaatsgevonden. Daarom acht het hof aannemelijk dat het restaurant feitelijk voor rekening en risico van de stichting wordt geëxploiteerd. De stichting is daardoor inhoudingsplichtig voor de loonheffingen van het personeel. 

Anoniementarief 

Daarnaast oordeelt het hof dat het anoniementarief terecht is toegepast. De loonadministratie van de pachters kan niet aan de stichting worden toegerekend. De stichting heeft geen eigen loonadministratie bijgehouden, waarin de relevante gegevens van de werknemers zijn opgenomen. Daardoor is sprake van nettoloonbetalingen aan anonieme werknemers.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1949 | 21-07-2026

Vordering op kind geen banktegoed voor box 3

Een vrouw geeft in haar aangifte een aanzienlijk bedrag aan bezittingen aan, waaronder hypothecaire geldleningen aan haar kinderen. De inspecteur merkt deze aan als overige bezittingen, wat leidt tot een geschil over de juiste kwalificatie.

Bezittingen en de aanslag

De vrouw geeft voor 2021 een totaal van € 1,5 miljoen aan bezittingen op. Dit omvat onder meer twee hypothecaire geldleningen aan haar kinderen met een rente van 2,5% per jaar. De inspecteur stelt de definitieve aanslag vast, waarbij de vorderingen als overige bezittingen zijn aangemerkt met een rendement van 5,69%. De vrouw stelt dat de vorderingen als banktegoeden moeten worden gezien, omdat zij kenmerken bezitten van spaartegoed. Zij wijst daarbij op het lage risico, de zekerheid via het gevestigde hypotheekrecht, het niet aanwezig zijn van een winststreven en de regelmatige rente-inkomsten. Voor banktegoeden geldt in 2021 een rendement van 0,01%.

Geen deposito

Het hof oordeelt echter dat de vorderingen niet voldoen aan de definitie van een 'deposito' volgens de Wet op het financieel toezicht, waarnaar de Wet rechtsherstel box 3 verwijst. Een vergelijking met VvE-reservefondsen, die voor 2021 ook als overige bezittingen golden, gaat niet op. Ook is er geen sprake van verboden discriminatie, omdat het risicoprofiel en de onderhandelingsruimte bij vorderingen wezenlijk afwijken van banktegoeden.

Werkelijk rendement onbekend

Nu de vorderingen niet als banktegoed worden aangemerkt, betoogt de vrouw dat nader rechtsherstel moet worden geboden. De heffing zou hoger zijn dan het werkelijke rendement. Het hof oordeelt dat de vrouw dit niet aannemelijk maakt, omdat zij geen inzicht verschaft in de waardeontwikkeling van haar beleggingsportefeuille. Daarom faalt ook dit standpunt.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:5874 | 07-09-2026

Uitkeringen lijfrente terecht in box 1

Een man ontvangt uitkeringen uit meerdere lijfrenteverzekeringen. De inspecteur belast deze bedragen in box 1, wat leidt tot een geschil over de juiste fiscale behandeling. De man had een 'Hoogrentende Spaarpot Polis' en twee andere verzekeringen met een lijfrenteclausule. In 2019 ontvangt hij uitkeringen van € 49.119, € 21.968 en € 7.025. De inspecteur neemt deze bedragen op in box 1 van de inkomstenbelasting. De man is van mening dat de uitkeringen in box 3 belast moeten worden, omdat het beleggingsproducten betreft. Ook wil hij dat de saldomethode wordt toegepast, waardoor alleen het deel boven de betaalde premies wordt belast.

Box 1 en saldomethode

Het hof oordeelt dat de verzekeringen terecht in box 1 zijn belast. De 'Hoogrentende Spaarpot Polis' is een kapitaalverzekering met een lijfrenteclausule die onder het 'pre-Brede Herwaarderingsregime' valt. Volgens de wetgeving van vóór 2001, die nog steeds van toepassing is op deze oudere polis, wordt een afkoop van zo'n verzekering in box 1 belast. De man heeft de lijfrentetermijnen niet tijdig vastgesteld of omgezet in een kwalificerende lijfrente, waardoor de afkoopsom in box 1 valt. De twee andere verzekeringen zijn ook met een lijfrenteclausule afgesloten. 

Omkeerregel 

De heffing in box 1 over de uitkeringen is niet slechts een belastingnadeel. Het is een gevolg van de omkeerregel en het vormt een onderdeel van een heffingssysteem dat door de aanwezigheid van een daartegenoverstaand belastingvoordeel een zeker evenwicht vertoont. Dat voordeel bestaat in elk geval uit de belastingaftrek van de in eerdere jaren betaalde premies. Daar komt bij dat de waarde van de verzekeringen voorafgaand aan de afkoop niet tot belastingheffing in box 3 heeft geleid.

Saldomethode

De saldomethode houdt in dat alleen het deel van de uitkeringen, dat hoger is dan de betaalde premies, wordt belast. Deze methode kan echter niet worden toegepast als de premies in aftrek zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht. Voor de 'Hoogrentende Spaarpot Polis' toont de man niet aan dat hij de premies niet in aftrek heeft gebracht. Gezien het karakter van de verzekering is het waarschijnlijk dat dit wel is gebeurd. Voor de andere twee verzekeringen bevestigt de man zelf dat hij de premies in aftrek heeft gebracht.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:2438 | 24-08-2026

Cashbonus ipv aandelenrechten: mag een voorziening?

Vijf werknemers krijgen van de Franse moedervennootschap van hun werkgever voorwaardelijke rechten op aandelen. Zij ontvangen die aandelen alleen als zij na vier jaar nog in dienst zijn én aan bepaalde prestatiedoelen voldoen. Voordat de voorwaarden zijn vervuld, vindt een overname plaats. De nieuwe eigenaar doet de werknemers een voorstel: lever de voorwaardelijke aandelenrechten in en ontvang daarvoor een cashbonus. De cashbonus is niet gekoppeld aan de aanwezigheid in het bedrijf, prestaties of andere voorwaarden. Alle werknemers accepteren dit aanbod. Daardoor krijgen zij uiteindelijk geen aandelen, maar een bonus van in totaal ruim € 630.000, uit te betalen in 2016 en 2018. Achteraf blijkt dat bij geen van de vijf werknemers zou zijn voldaan aan de voorwaarden om de rechten op aandelen onvoorwaardelijk te doen worden.

Voorziening

De Nederlandse werkgever wil deze toekomstige kosten al in 2015 verwerken door een fiscale voorziening te vormen. De inspecteur wijst dit verzoek af. Volgens hem valt de regeling onder de wettelijke aftrekbeperking voor aandelen- en optieregelingen. Die bepaling voorkomt dat een onderneming de kosten van aan werknemers toegekende aandelen of optierechten van de winst aftrekt. Volgens de inspecteur maakt het daarbij niet uit dat de rechten nog onder voorwaarden zijn toegekend. 

Aftrekbeperking 

De Hoge Raad ziet dat anders. Volgens de Hoge Raad ontstaat pas een daadwerkelijk aandelen- of optierecht als aan de opschortende voorwaarden is voldaan. Zolang dat niet gebeurt, kunnen werknemers hun rechten niet afdwingen. In deze zaak worden de voorwaardelijke rechten al eerder ingeruild voor een cashbonus. De voorwaarden worden dus nooit vervuld. Daardoor ontstaat fiscaal gezien nooit een aandelen- of optierecht waarop de aftrekbeperking van toepassing is.

Cashbonus 

De cashbonus is daarom geen aandeelhouderslast die niet aftrekbaar is, maar een gewone ondernemingsuitgave. De werkgever mag hiervoor een voorziening vormen en die ten laste van de winst brengen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1631 | 08-10-2026

Grenzen aan herstel ambtelijk verzuim gebruikelijk loon via LB

Een broer en zijn zus bezitten in 2020 ieder de helft van de aandelen in een bv. De zus verricht werkzaamheden voor de bv via haar eenmanszaak. De broer is dga en verricht zijn werkzaamheden voor de bv deels in loondienst en deels via zijn eenmanszaak. Op 24 december 2022 legt de inspecteur aan de zus een navorderingsaanslag IB 2020 op, maar daarin neemt hij geen gebruikelijk loon op.

Gebruikelijk loon

De inspecteur stelt vervolgens boekenonderzoeken in bij de bv naar de loonheffingen (LB) over 2019 en 2020. Uit deze onderzoeken blijkt dat het gebruikelijk loon van zowel de zus als de broer niet correct is vastgesteld. Voor de zus concludeert de inspecteur dat haar gebruikelijk loon € 34.125 bedraagt. Voor de broer concludeert hij dat zijn loon moet worden verhoogd met € 23.333 naar € 46.000. De bv krijgt een correctieverplichting opgelegd. Omdat zij daar niet aan voldoet, legt de inspecteur op 23 februari 2023 een naheffingsaanslag LB op aan de bv.

Ambtelijk verzuim bij zus

In de zaak van de zus stelt het hof vast dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan door het gebruikelijk loon niet mee te nemen in de navorderingsaanslag IB 2020. Vanaf dat moment is de inspecteur niet langer bevoegd om over dit gebruikelijk loon na te vorderen bij de zus. De naheffingsaanslag LB die de inspecteur vervolgens aan de bv oplegt, vormt een poging om dit alsnog te corrigeren. Het hof oordeelt dat de wet voorkomt dat de Belastingdienst een ambtelijk verzuim in de IB, waardoor navordering niet meer mogelijk is, via een omweg kan herstellen door alsnog een naheffingsaanslag LB op te leggen aan de inhoudingsplichtige, de bv.

Correctie bij broer

In de zaak van de broer oordeelt het hof dat de inspecteur wél bevoegd is om een naheffingsaanslag voor het aanvullende gebruikelijk loon op te leggen. Volgens het hof leidt het feit dat het gebruikelijk loon niet is gecorrigeerd in de aanslag van de broer niet automatisch tot een ambtelijk verzuim. De inspecteur mag uitgaan van de juistheid van de aangifte, tenzij daarover redelijke twijfel bestaat. Daarvan is in dit geval geen sprake.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1946 en 1947 | 14-07-2026

Niet ingehouden loonheffing hoort ook niet bij het genoten loon

Een dga geeft over 2023 een loon van € 29.880 aan, met € 7.442 aan ingehouden loonheffing. Zijn bv draagt die loonheffing echter nooit af en de inspecteur verrekent daarom niets. De dga kan niet bewijzen dat de loonheffing wel is ingehouden. Toch krijgt hij deels gelijk, omdat de inspecteur niet kan aantonen dat de dga het bedrag op een andere manier heeft genoten. De rechtbank verlaagt het belastbaar inkomen daarom met € 7.442 naar € 22.438.

Loonheffing op papier

De dga is bestuurder en enig aandeelhouder van een bv. Na een aanmaning volgt zijn aangifte IB pas op 7 oktober 2024. De aanslag van 11 januari 2025 volgt de aangifte, maar de inspecteur zet de voorheffing op nul. De inspecteur wil de bewijslast omkeren. De rechtbank weigert dat. De aangifte was weliswaar te laat, maar ruim voordat de aanslag werd opgelegd. De inspecteur kan en moet er dan rekening mee houden. Daarom gelden de normale bewijsregels.

Inhouding

Inhouden betekent het administratief afzonderen van een deel van het brutoloon om het af te dragen. Afdracht is geen voorwaarde. Voor die afzondering heeft de dga alleen zijn eigen verklaring. De administratie van de bv is in beslag genomen. Volgens de rechtbank had hij met bankafschriften, loonstroken of back-ups van de externe loonadministrateur toch een begin van bewijs kunnen leveren. Ook een beroep op de schijn van inhouding strandt. Die leer ziet volgens de rechtbank vooral op werkgevers en werknemers die los van elkaar staan, en dat is hier niet het geval.

Niet genoten

Dan rest de vraag of de dga het bedrag toch heeft genoten. Normaal gebeurt dat door de inhouding zelf. Volgens een arrest van de Hoge Raad uit 2016 moet de inspecteur bewijzen dat het bedrag op een andere manier aan de werknemer ten goede is gekomen. De inspecteur stelt daar niets over. Het bedrag van de loonheffing hoort daarom niet tot het belastbaar inkomen. De dga heeft geen recht op verrekening, maar betaalt ook geen belasting over loon dat hij niet heeft genoten.

Te laat

In een nader stuk stelt de inspecteur dat het bedrag aan loonheffing ontbrekend gebruikelijk loon is. Om die reden dient het alsnog belast te worden. De rechtbank acht het beroep op interne compensatie in strijd met de goede procesorde. Het standpunt van de inspecteur is pas op de zitting duidelijk geworden.

Bron: Rechtbank Noord-Nederland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNNE:2026:3900 | 07-09-2026

Loods bij de woning op kosten van de bv is een winstuitdeling

Een dga is indirect enig aandeelhouder van een bv die tot 2014 een tankstation en wasstraat exploiteert op zijn privéperceel. Daarna ligt die locatie stil door een conflict met de gemeente. Vanaf augustus 2015 verrijst bij zijn woning een loods zonder vergunning. De facturen voor beton, kozijnen, platen en bouwwerkzaamheden komen in de boekhouding van de bv terecht, geactiveerd op de balans. Tijdens een bedrijfsbezoek in juni 2019 vertelt de dga dat hij de loods ook privé gebruikt. Dat gesprek leidt tot een boekenonderzoek.

Twee verhalen

In beroep vertelt de dga iets anders. De loods is volgens hem alleen bedoeld om een nieuwe wasstraat voor de bv voor te bereiden. De loods is demontabel en kan naar de oude locatie worden verhuisd, zodra de gemeente meewerkt. Het hof gelooft de eerste verklaring, want de twee zijn niet met elkaar te rijmen. De loods dient alleen voor eigen gebruik. Een zakelijke grondslag ontbreekt. Beide partijen zijn zich van de bevoordeling bewust en de bv heeft voldoende reserves. Het hof ziet zelfs een patroon waarin de dga de bv voor persoonlijke doeleinden inzet.

Het hele bedrag

Volgens de dga gaan alleen de facturen van € 17.000 en € 8.000 over de loods. Het hof volgt dat niet. Alle facturen dateren uit dezelfde periode en foto's tonen dat er destijds geen ander bouwwerk was. De dga bespaart kosten die hij had moeten dragen, inclusief btw. Het voordeel is dus het volledige bedrag. Verrekening met de rekening-courant faalt, omdat de kosten op de balans staan.

Bron: Gerechtshof Amsterdam | jurisprudentie | ECLI:NL:GHAMS:2026:2577 | 29-06-2026

Tariefmaatregel op doorbetaald pensioen is geen discriminatie

Een belastingplichtige en zijn echtgenote gaan in 1992 uit elkaar. Hij betaalt zijn ex in 2020 en 2021 elk jaar € 4.078 uit zijn ouderdomspensioen. Die betalingen zijn aftrekbaar, maar door de tariefmaatregel niet tegen het hoogste tarief. Wie vanaf 1 mei 1995 scheidt van zijn echtgenoot heeft daar in de regel geen last van, want dan betaalt het pensioenfonds rechtstreeks aan de ex-echtgenoot. Het hof ziet in dat verschil discriminatie en schrapt de extra heffing. De Hoge Raad oordeelt dat het om ongelijke gevallen gaat, zodat de hogere heffing blijft staan.

Verrekenen onder Boon/Van Loon

De Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) is op 1 mei 1995 in werking getreden en geldt door het overgangsrecht niet voor eerdere scheidingen. Daarvoor gelden de regels uit het arrest Boon/Van Loon uit 1981. De belastingplichtige ontvangt het volledige pensioen zelf en verrekent een afgesproken deel met zijn ex-echtgenote. De inspecteur staat op die betalingen de aftrek voor onderhoudsverplichtingen toe. Tegelijk past hij de tariefmaatregel toe, waardoor het voordeel beperkt blijft tot het tarief van de tweede schijf.

Hof grijpt in

Onder de hoofdregel van de Wet VPS heeft de ex-echtgenoot een eigen recht op uitbetaling tegenover het pensioenfonds. Er is dan geen aftrekpost en dus ook geen tariefmaatregel. Het hof ziet daarin strijd met het discriminatieverbod. Beide regimes verdelen pensioenrechten tussen scheidende echtgenoten en berusten op de verzorgingsgedachte. Een rechtvaardiging voor het verschil ziet het hof niet. Het hof laat de tariefmaatregel buiten toepassing, waarna de staatssecretaris in cassatie gaat.

Geen gelijke gevallen

De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vraag of gevallen gelijk zijn. Beslissend is het doel van de tariefmaatregel en dat richt zich op aftrekposten. Onder de Wet VPS heeft de pensioengerechtigde voor het verevende deel geen aftrekpost. Dat deel hoort niet tot zijn belastbare inkomen. Ook vanuit het stelsel van de wet zijn de gevallen dus niet gelijk.

Verzorging telt niet

Dat beide regimes de verzorging van de ex-echtgenoot vooropstellen, verandert dat niet. Het gaat hier om de aftrek bij degene die doorbetaalt, niet om de fiscale positie van de ontvanger. Ten overvloede oordeelt de Hoge Raad dat hetzelfde ook geldt voor wie na 1 mei 1995 gescheiden is, maar bij uitzondering niet verevent. De uitspraak van de rechtbank blijft staan. 

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:1488 | 17-09-2026

Zelfstandigenwet biedt meer duidelijkheid voor zzp’ers

De Zelfstandigenwet, die naar verwachting in januari 2028 in werking treedt, heeft als doel om meer duidelijkheid te scheppen over de samenwerking tussen zelfstandigen en opdrachtgevers. De wet wil schijnzelfstandigheid tegengaan en zelfstandigen de erkenning geven die zij verdienen. Dit gebeurt door middel van twee toetsen: de zelfstandigentoets en de werkrelatietoets. Wie aan beide toetsen voldoet én in de praktijk zo werkt, weet vooraf dat hij of zij als zelfstandige kan werken. In de woorden van de wet heet dit ‘een veilige haven’. Wie niet aan beide toetsen voldoet, moet op basis van de huidige criteria bepalen of hij of zij als zelfstandige werkzaam is.

Zelfstandigentoets

De zelfstandigentoets richt zich op de ondernemer zelf en diens ondernemerschap in het economisch verkeer. Er zijn drie criteria:

  1. De werkende moet in de periode tot en met het vorige kalenderjaar minimaal drie opdrachtgevers hebben gehad.
  2. Er moet een minimumbedrag zijn besteed aan voorzieningen voor ondernemersrisico's, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering of pensioenvoorziening. 
  3. De werkende moet de basisvoorwaarden op orde hebben, zoals een KVK-inschrijving, een zakelijke bankrekening, een btw-identificatienummer en zelf factureren. 

Werkrelatietoets

De werkrelatietoets beoordeelt de specifieke arbeidsrelatie en kijkt of er voldoende zelfstandig wordt gewerkt, zonder 'gezag'. De vier criteria zijn: 

  1. De wil van de partijen om niet in dienstverband te werken.
  2. De vrijheid om het werk zelf te organiseren.
  3. De vrijheid om de werktijden en werkplek te bepalen. Op dit criterium zijn uitzonderingen voor plaatsgebonden werk en voor tijdsgebonden werk.
  4. Het werken voor eigen rekening en risico.

Hierbij is de feitelijke uitvoering van de overeenkomst leidend, niet wat op papier is afgesproken. Aan alle criteria moet worden voldaan. Er is geen rangorde. 

Internetconsultatie

De Zelfstandigenwet is nu in internetconsultatie. Reageren op het conceptwetsvoorstel kan tot en met 29 oktober 2026 op www.internetconsultatie.nl.

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | wetsvoorstel | 28905 | 01-10-2026