Tijdelijke korting vrachtwagenheffing per 1 september 2026

Per 1 september 2026 wordt het tarief van de vrachtwagenheffing met 22,3% verlaagd. De vrachtwagenheffing treedt op 1 juli 2026 in werking en geldt voor alle vrachtwagens, zowel uit binnen- als buitenland. Eigenaren van vrachtwagens gaan een bedrag per gereden kilometer betalen. Door de tijdelijke korting daalt het gemiddelde tarief van € 0,191 naar € 0,148 per kilometer. De verlaging geldt voor alle categorieën vrachtwagens en loopt tot eind 2026.

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | 25-05-2026

Geen rente bij eigen fout

Een bv draagt jarenlang Nederlandse btw af voor afstandsverkopen aan Belgische particulieren. Achteraf blijkt dat de omzetdrempel voor afstandsverkopen is overschreden, waardoor de btw in België verschuldigd is. De Belgische Belastingdienst legt naheffingsaanslagen op, die de bv betaalt. De bv dient vervolgens suppletieaangiften in en vraagt de in Nederland afgedragen btw terug. De inspecteur betaalt een bedrag van € 1,4 miljoen terug.

De bv verzoekt vervolgens om vergoeding van invorderingsrente over de terugbetaalde bedragen. De ontvanger wijst dit verzoek af, omdat het niet tijdig is ingediend. De rechtbank verklaart de beroepen van de bv gegrond en kent een rentevergoeding toe. In hoger beroep stelt de ontvanger dat de verantwoordelijkheid voor de juiste btw-afdracht bij de bv zelf ligt. De foutieve toepassing van de regeling voor afstandsverkopen is geheel te wijten aan de bv. Volgens de ontvanger hoeft hij geen invorderingsrente te vergoeden, omdat de belasting niet in strijd met het Unierecht is geheven. 

Voor de vraag of belasting in strijd met het Unierecht is geheven, is het arrest 'Dinkelland' relevant, zo oordeelt het hof. Het hof leidt hieruit af dat het wel degelijk van belang is of de ondernemer een verwijt kan worden gemaakt. In deze zaak is niet in geschil dat de aanvankelijk aangegeven en afgedragen btw een vergissing van de bv was en niet te wijten aan de inspecteur. Hoewel 'Dinkelland' over voorbelasting ging, ziet het hof geen reden om een onderscheid te maken. De teruggegeven btw kwalificeert daarom niet als in strijd met het Unierecht geheven belasting. De bv heeft geen recht op vergoeding van invorderingsrente.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1129 | 28-04-2026

Inbreng niet geruisloos door gemiste voorwaarden

Twee broers drijven een koolverwerkingsbedrijf in maatschapsvorm. Op 30 maart 2020 voeren zij een omvangrijke herstructurering door. Ieder richt een persoonlijke holding op en brengt zijn maatschapsaandeel daarin in. De holdings richten vervolgens een gezamenlijke bv op waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. De holdings brengen vervolgens hun maatschapsaandeel in die gezamenlijke bv in. Die bv richt op haar beurt een werk-bv op en brengt de onderneming daarin in. Het bedrijfspand met stille reserves blijft achter in de gezamenlijke bv. Dit alles gebeurt op dezelfde dag.

Geheel van rechtshandelingen

De inspecteur wijst het verzoek om geruisloze omzetting af. De inbreng maakt deel uit van een geheel van rechtshandelingen, gericht op overdracht van de onderneming. De geruisloze omzetting vereist dat de onderneming wordt voortgezet door de entiteit waarin wordt ingebracht. In dit geval is dat de persoonlijke holding, maar die zet de onderneming niet voort. De onderneming belandt uiteindelijk in de werk-bv.

Geen fiscale eenheid, geen bedrijfsfusie

Het Besluit geruisloze omzetting biedt een escape: de dooroverdracht staat niet in de weg aan de faciliteit als sprake is van een fiscale eenheid of een bedrijfsfusie. Bij een belang van 50% is een fiscale eenheid tussen de persoonlijke holding en de gezamenlijke bv echter niet mogelijk. De bedrijfsfusiefaciliteit biedt evenmin soelaas. Door de onmiddellijke doorinbreng bij de holdings is geen sprake van een uit organisatorisch oogpunt onafhankelijke exploitatie. Het achtergebleven bedrijfspand kwalificeert niet als tak van bedrijvigheid.

Fout van de adviseur

De broers doen een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Materieel gaat geen belastingclaim verloren. Bovendien heeft hun adviseur verzuimd tijdig een fiscale eenheid aan te vragen. Dat kan hen toch niet worden aangerekend? De rechtbank gaat hier niet in mee. De inspecteur heeft bij de toepassing van het Besluit geruisloze omzetting geen discretionaire bevoegdheid. Het Besluit biedt geen ruimte voor een belangenafweging. De inspecteur toetst alleen of aan de voorwaarden is voldaan. Dat is niet het geval. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Dat de inspecteur de aanslag aan de gezamenlijke bv conform de aangifte heeft opgelegd, kan bij de broers geen vertrouwen wekken.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:2151 | 02-03-2026

Ontbonden stichting bestaat toch nog

Een turboliquidatie is een snelle manier om een bv, nv, stichting of andere rechtspersoon te ontbinden. Dit kan alleen als er geen baten meer in de onderneming zitten. Dat wil zeggen dat de rechtspersoon geen activiteiten meer uitvoert én geen bezittingen meer heeft. Een stichting voor postduivenfokkers wordt in 2017 op deze manier ontbonden. Althans, dat was de bedoeling. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op van ruim € 350.000. Kunnen die aanslagen nog wel worden opgelegd aan een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan?

Ontbinding zonder vereffening

De stichting is opgericht in 2012. Haar doel is het bevorderen van het fokken en het beschermen van postduiven. De bestuurders zijn een man, zijn echtgenote en zijn zus. Op 31 december 2017 besluit het bestuur tot ontbinding. Bij de Kamer van Koophandel vult het bestuur formulier 17a in. Daarin staat dat de stichting geen baten heeft. Een vereffening vindt niet plaats. 

Aangiften vertellen een ander verhaal

De stichting dient na de ontbinding nog aangiften vpb in. In de aangifte over 2017 staat € 19.449 aan activa vermeld. Ook in de aangiften over 2018 en 2019 staat dit bedrag, nu als liquide middelen. Dat is opmerkelijk voor een rechtspersoon die zegt geen baten te hebben. De FIOD verstrekt informatie aan de inspecteur en een boekenonderzoek volgt. Op 17 december 2019 legt de inspecteur navorderingsaanslagen vpb op over 2014 en 2015 en een aanslag over 2016. De belastingdeurwaarder betekent de aanslagen aan de bestuurder op het laatst bekende adres. 

Registratie KVK is geen bewijs

Het hof oordeelt dat de registratie bij de KVK niet bewijst dat de rechtspersoon daadwerkelijk is opgehouden te bestaan. Die mededeling moet ook juist zijn. Partijen kunnen het vermoeden dat de mededeling juist is, ontzenuwen. De inspecteur slaagt daarin. Uit de aangiften over 2017, 2018 en 2019 blijkt dat de stichting wel degelijk baten had. In 2023 stonden nog steeds twee bankrekeningen op haar naam met een totaalsaldo van ruim € 19.000.

Turboliquidatie werkt alleen zonder baten

De stichting stelt dat zij een turboliquidatie heeft toegepast. Daarmee staat volgens het hof vast dat het vermogen niet is vereffend. Een turboliquidatie werkt alleen als er werkelijk geen baten zijn. Dat was hier niet het geval. De stichting wist, óf had moeten weten, dat de mededeling aan de Kamer van Koophandel niet juist was. Zij diende immers zelf na de ontbinding nog aangiften vpb in, waarin zij activa vermeldde. Een beroep op het vertrouwens- of rechtszekerheidsbeginsel slaagt daarom niet. De stichting is ontbonden maar niet opgehouden te bestaan.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:812 | 24-03-2026

Geen inlenersaansprakelijkheid door slordig handelen ontvanger

Een ontvanger die uitstel van betaling verleent, moet rekening houden met de belangen van derden die aansprakelijk kunnen worden gesteld. Hij mag niet met minder zekerheid genoegen nemen dan hij zou doen als er geen derden aansprakelijk gesteld kunnen worden. Doet hij dat toch, dan verliest hij de bevoegdheid om die derden aan te spreken. De bewijslast ligt bij de ontvanger. Hij moet aantonen dat niet meer zekerheid te krijgen was.

Betalingsproblemen vanaf het begin

Een transportbedrijf leent personeel in van een uitzendbureau. Het uitzendbureau gaat failliet met onbetaalde belastingschulden. Het uitzendbureau kende al sinds de oprichting in 2015 betalingsproblemen. In 2017 verleent de ontvanger uitstel van betaling voor ruim € 644.000 aan belastingschulden. Hij bedingt zekerheid via een pandrecht op vorderingen en spreekt een betalingsregeling af van € 75.000 per maand. Het uitzendbureau houdt zich aan de regeling tot mei 2018. Dan stoppen de betalingen. De ontvanger trekt het uitstel in en start de dwanginvordering.

Factoringovereenkomst nooit opgevraagd

In september 2018 legt de ontvanger beslag op de inventaris van het uitzendbureau. Die wordt later verkocht voor nog geen € 8.000. Er volgen gesprekken. Het uitzendbureau biedt een debiteurenlijst van € 4,5 miljoen als zekerheid aan. De ontvanger vraagt om de factoringovereenkomst, maar het uitzendbureau stuurt die niet. Toch accepteert de ontvanger in november 2018 een pandrecht op de vorderingen. Hij vertrouwt op de verklaring van het uitzendbureau dat de vorderingen niet al zijn bezwaard.

Pandrecht blijkt waardeloos

Het uitzendbureau komt de betaalafspraken niet na. Er volgt een kort geding. Het uitzendbureau zou € 6,9 miljoen betalen, maar dat blijft uit. De ontvanger maakt het pandrecht openbaar en vraagt het faillissement aan. In maart 2019 is het uitzendbureau failliet. Dan blijkt dat het uitzendbureau al in 2017 een groot deel van haar vorderingen had gecedeerd aan een Luxemburgse vennootschap. Het pandrecht was dus grotendeels waardeloos. In juli 2022 stelt de ontvanger het transportbedrijf aansprakelijk voor ruim € 109.000 aan onbetaalde loon- en omzetbelasting.

Ontvanger had moeten doorvragen

De ontvanger wist al in september 2018 van de factoringovereenkomst. Hij heeft die overeenkomst nooit ontvangen, maar toch een pandrecht geaccepteerd. Van een zorgvuldig handelend ontvanger mag worden verwacht dat hij nagaat of de verpander bevoegd is. De verwijzing naar de verklaring van het uitzendbureau is onvoldoende. De ontvanger heeft feitelijk uitstel van betaling verleend zonder adequate zekerheid.

Bevoegdheid tot aansprakelijkstelling verloren

De ontvanger maakt niet aannemelijk dat hij niet met minder zekerheid genoegen heeft genomen dan van hem verwacht mocht worden. Hij heeft ook niet aangetoond dat geen andere zekerheden te bedingen waren. Het hof oordeelt dat de ontvanger de bevoegdheid heeft verloren om het transportbedrijf aansprakelijk te stellen. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:1076 | 21-04-2026

Zwartspaarder wint slag, maar verliest oorlog

Een man meldt zich bij de Belastingdienst met verzwegen Zwitserse bankrekeningen. Wat hij verzwijgt: hij heeft ook rekeningen in Luxemburg, op naam van plankvennootschappen. De inspecteur ontdekt dit alsnog en belast het vermogen in box 3. De rechtbank oordeelt echter dat sprake is van aanmerkelijk belang. Per saldo schiet de man daar niets mee op.

Nummerrekeningen en plankvennootschappen

Een man houdt jarenlang vermogen aan op buitenlandse bankrekeningen. Eerst in Zwitserland, later ook in Luxemburg. Als Luxemburg de nummerrekeningen afschaft, zet hij de rekeningen op naam van Britse plankvennootschappen. Dat zijn lege vennootschappen zonder activiteiten, die alleen dienden om de werkelijke eigenaar te verhullen. De man is enig aandeelhouder en bestuurder. Hij kan vrij over het geld beschikken. In 2014 sluit hij alle rekeningen en neemt hij bijna € 156.000 contant op. Als de Zwitserse bank hem waarschuwt dat zijn gegevens naar de Belastingdienst gaan, dient hij een inkeermelding in. Hij ‘vergeet’ echter de Luxemburgse rekeningen te melden.

Box 3 of box 2?

De inspecteur komt de Luxemburgse rekeningen op het spoor via transacties op de Zwitserse rekening. Hij belast het vermogen in box 3. De man maakt bezwaar, omdat hij niet meer over het geld zou beschikken. De rechtbank gelooft hem niet. Hij heeft geen bewijs van consumptie, terwijl hij jaarlijks duizenden euro’s contant op zijn Nederlandse rekening stort. Het bewijsvermoeden luidt daarom dat hij het geld nog steeds heeft.

Vervolgens doet de inspecteur iets opmerkelijks. Hij stelt dat hij het vermogen op de verkeerde plek heeft belast. De Luxemburgse rekeningen stonden op naam van vennootschappen waarvan de man enig aandeelhouder was. Dat betekent een aanmerkelijk belang. De bedragen die hij aan die vennootschappen onttrok, zijn belastbaar in box 2 en niet in box 3. De belasting in box 2 is hoger dan die in box 3. De inspecteur beroept zich op interne compensatie. De aanslag mag blijven staan, want onder de streep is die eerder te laag dan te hoog.

Inkeer mislukt

De man betoogt nog dat hij vrijwillig is ingekeerd en daarom geen boete verdient. De rechtbank verwerpt dit. Hij meldde zich pas nadat in de media bekend werd dat de Belastingdienst informatie bij Zwitserse banken opvroeg. Bovendien verzweeg hij bij de inkeermelding de Luxemburgse rekeningen. Dat is geen vrijwillige inkeer, maar damage control. De boetes blijven grotendeels in stand, zij het dat de rechtbank ze verlaagt voor zover ze op box 3 waren gebaseerd, terwijl box 2 van toepassing is.

Bron: Rechtbank Noord-Holland | jurisprudentie | ECLI:NL:RBNHO:2026:1736 | 28-01-2026

Doorlenen tegen hogere rente is winstuitdeling

Een bv leent een miljoen aan haar dga tegen 2% rente. De dga leent datzelfde bedrag door aan derden tegen 7% rente. Het verschil van 5% steekt hij in eigen zak. De inspecteur ziet dit als een verkapte winstuitdeling. Het hof is het daarmee eens. Wie aan zijn eigen bv minder rente betaalt dan hij vraagt van een derde, bevoordeelt zichzelf als aandeelhouder.

Twee leningen, één geldstroom

De dga leent geld uit aan een zakenrelatie en diens bv. Dit geld leent hij van zijn eigen bv tegen een lagere rente. Het geld gaat rechtstreeks van de bv naar de zakenrelatie. De dga fungeert als doorgeefluik en houdt jaarlijks het renteverschil (van ruim € 45.000).

De inspecteur prikt erdoorheen

De inspecteur constateert dat de twee leningen nagenoeg identiek zijn. Dezelfde hoofdsom, hetzelfde moment van aangaan, dezelfde afwezigheid van zekerheden en tussentijdse aflossingsverplichtingen. Zelfs de aflossingsdata vallen samen. Het enige verschil is de rente. De inspecteur stelt dat de bv een onzakelijk lage rente heeft bedongen van haar aandeelhouder. Dat renteverschil is een verkapte winstuitdeling die tot de winst van de bv moet worden gerekend.

Vermogenspositie maakt geen verschil

De rechtbank geeft de bv nog gelijk. De vermogenspositie van de dga zou gunstiger zijn dan die van de zakenrelatie, waardoor een lagere rente gerechtvaardigd zou zijn. Het hof denkt daar anders over. De zakenrelatie bezit 42 onroerende zaken en heeft een aanzienlijke rendementsgrondslag in box 3. De dga beschikt naast zijn box 3-vermogen ook over alle aandelen in de bv, met een waarde van ruim € 3 miljoen. Beide partijen kunnen de lening van € 1 miljoen eenvoudig terugbetalen. Het verschil in vermogenspositie verklaart het renteverschil dus niet.

Bewust of onbewust? Het maakt niet uit

Het hof oordeelt dat sprake is van een opzettelijk winstgemis. Gezien het substantiële renteverschil had het voor de bv en de dga, die als enig aandeelhouder en bestuurder met elkaar te vereenzelvigen zijn, duidelijk moeten zijn dat 2% een onzakelijk lage rente was. Of zij zich bewust waren van de exacte omvang van de bevoordeling, doet er niet toe. Het verschil van ruim € 45.000 is een winstuitdeling en wordt bij de winst van de bv opgeteld. De inspecteur krijgt gelijk.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLI:NL:GHARL:2026:1011 | 16-02-2026

Nabetaling pensioen niet toerekenbaar aan eerdere jaren

Een man ontvangt in 2018 een nabetaling van zijn pensioenfonds over een periode van meer dan 11 jaar. De inspecteur heeft deze nabetaling volledig gerekend tot het belastbaar inkomen in 2018. Als gevolg hiervan moet de man de toeslagen die hij in 2018 heeft ontvangen terugbetalen. Ook moet hij een bedrag terugbetalen aan het UWV. Gelet op de nadelige gevolgen van de toerekening van de nabetaling aan het jaar 2018, wil de man dat de nabetaling wordt verdeeld over de jaren 2007 tot en met 2018.

Vorderbaar en inbaar 

Het hof oordeelt dat het niet mogelijk is om de nabetaling uit het inkomen van 2018 te halen en alsnog toe te rekenen aan de voorgaande jaren. Loon of periodieke uitkeringen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat deze zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden. De man heeft de pensioenuitkering pas in 2018 aangevraagd en ook pas in 2018 toegewezen gekregen. In de eerdere jaren bestond dus weliswaar een vorderbare uitkering, maar die was nog niet direct inbaar. De inspecteur heeft de nabetaling daarom terecht tot het belastbaar inkomen van 2018 gerekend.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLI:NL:HR:2026:358 en ECLI:NL:GHDHA:2024:462 | 05-03-2026

Bestemmingswijziging levert belastbare winst op

Een man koopt een boerderij met agrarische bestemming. Hij regelt een bestemmingswijziging en splitst het perceel in tweeën. De ene helft verkoopt hij met winst, de andere houdt hij. De inspecteur belast de waardestijging als resultaat uit overige werkzaamheden. Het hof is het daarmee eens. Wie actief aan de slag gaat met bestemmingsplannen, doet meer dan normaal vermogensbeheer.

Van bijstandsuitkering naar vastgoedproject

Een man met een bijstandsuitkering ziet in 2017 een boerderij te koop staan die al jaren geen koper vindt. De boerderij heeft een agrarische bestemming, waardoor deze alleen geschikt is voor een boer met een bedrijf. De man ruikt een kans. Hij belt de gemeente en hoort dat de gemeente wil meewerken aan een bestemmingswijziging. Sterker nog, via de ruimte-voor-ruimteregeling mag hij de oude kassen slopen in ruil voor een extra bouwkavel. De man schakelt een juridisch planbureau in, laat onderzoeken uitvoeren en koopt de boerderij, onder de ontbindende voorwaarde dat de bestemmingswijziging slaagt, voor € 510.000.

Splitsen en verkopen

In juni 2018 is het zover. De gemeente keurt het nieuwe bestemmingsplan goed. De boerderij is nu gesplitst in twee percelen met elk een woonbestemming. De bouwkavel zet de man direct te koop voor € 550.000. Meer dan de aankoopprijs van het geheel. Er meldt zich geen koper voor de kavel, maar wel voor de boerderij zelf. Die verkoopt de man voor € 550.000. De kavel houdt hij voorlopig zelf, met plannen om er ooit te bouwen. Eén probleem: hij heeft geen geld. De levering wordt een ABC-transactie, waarbij de verkoopopbrengst van de boerderij rechtstreeks de aankoop financiert.

Geen normaal vermogensbeheer 

De inspecteur ziet het anders. De waardestijging is het directe gevolg van de werkzaamheden van de man. Dat is geen normaal vermogensbeheer, maar een belastbare werkzaamheid. Het hof is het daarmee eens. Wie een bestemmingswijziging initieert, onderzoeken laat uitvoeren en de voortgang coördineert, doet méér dan een passieve belegger. Dat de man het werk uitbesteedde, maakt niet uit. De werkzaamheden van derden worden aan hem toegerekend. Op het moment dat de man besluit de kavel te houden, staakt hij de werkzaamheid en moet hij afrekenen over de waardestijging.

Bron: Gerechtshof Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:GHDHA:2026:210 | 02-02-2026

Recht op alle voordelen uit aandelen is aanmerkelijk belang

Een man verstrekt via een fonds een lening waarmee aandelen worden gekocht. Alle opbrengsten uit die aandelen komen aan hem toe. Op een deel van de vordering rust een optie. De man meent dat hij daardoor geen aanmerkelijk belang meer heeft. Het hof oordeelt anders: wie recht heeft op alle voordelen uit aandelen, is aandeelhouder voor de aanmerkelijkbelangregeling.

Lening met een gouden randje

Een man verstrekt in 2011 samen met anderen een lening van € 550.000 aan een fonds. Zijn aandeel is € 150.000. Het fonds koopt met dat geld aandelen in een veelbelovend bedrijf. Tot zover niets bijzonders. Maar let op de kleine lettertjes: alle opbrengsten uit die aandelen – dividend, verkoopwinst, noem maar op – komen volledig aan de geldverstrekkers toe. De ‘rente’ op de lening is dus geen rente, maar pure winstdeling. Wordt het bedrijf verkocht, dan verdwijnt de lening en casht de man mee. Een lening met een gouden randje, zou je kunnen zeggen.

De truc met de optie

Tegelijk met de lening verleent de man een call-optie aan een andere partij op 20% van zijn vordering. Zijn redenering is dat hij door de call-optie niet het volledige economische belang heeft. In 2014 verkoopt het fonds de helft van de aandelen en wordt de optie uitgeoefend. Zijn resterende belang is 5,3%. Als je 20% daarvan aftrekt voor de optie, kom je uit op 4,24%. En dat is net onder de magische 5%-grens voor een aanmerkelijk belang. Geen box 2, maar box 3. Scheelt een slok op een borrel: 25% versus een fractie daarvan.

Verder dan de verpakking

In 2018 worden de resterende aandelen verkocht. De man ontvangt ruim € 900.000 en geeft dit keurig aan in box 3. De inspecteur denkt daar anders over en belast het bedrag in box 2. De rechtbank geeft de man nog gelijk, maar het hof draait het om. De redenering is helder. Tot het moment dat de optie wordt uitgeoefend, komen alle voordelen uit de aandelen aan de man toe. Dat staat zwart op wit in de leningsovereenkomst. En wie recht heeft op alle voordelen, heeft een zogeheten genotsrecht. De wet is daar duidelijk over. Een genotsgerechtigde wordt gelijkgesteld met een aandeelhouder. Zijn belang is dus 5,3%. Ruim boven de ab-grens.

Creatief, maar niet creatief genoeg

De constructie was creatief, maar niet creatief genoeg. De Belastingdienst kijkt niet naar het etiket, maar naar de inhoud. Een lening die ruikt naar aandelen, smaakt naar aandelen en rendeert als aandelen, wordt behandeld als aandelen. De man moet box 2-belasting betalen over ruim € 830.000. 

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLI:NL:GHSHE:2026:142 | 20-01-2026